13 dec

Jelle Jolles over coding / computational thinking

Hoe staat u ten opzichte van coding/computational thinking in het funderend onderwijs. Is er een minimum leeftijd om met kinderen aan coding/computional thinking te beginnen?

Coding ook in de basisschool lijkt me goed te verantwoorden mits het in de lesplanning niet een te groot onderdeel wordt en ook voldoende spelenderwijs wordt gebracht. Ook omdat er forse individuele verschillen bestaan tussen kinderen in hun interesses en basisvaardigheden. Kinderen leren sowieso over de wereld, over objecten in de wereld, en krijgen kennis van de wereld. Leren denken is belangrijk om relaties tussen objecten te kunnen leggen. En datzelfde geldt voor relaties tussen processen. Vanuit de wetenschappelijke literatuur die ik ken, hoop ik dat diegenen die programmeren voorstellen voldoende rekening houden met wat we weten over de ontwikkeling van het denken bij kinderen. Dat het heeft te maken met abstraheren en abstractievermogen. Naar mijn mening ontwikkelt zich dat bij de meeste kinderen pas in de loop van de kindertijd, zeg tusen het 7e en 8e jaar, en dan ook nog alleen als er voldoende intellectuele stimulans is uit de omgeving. Daarom blijft de volwassene nodig om met zijn of haar kennis en inzichten de jongere te leiden, te sturen en te inspireren.

Bron: http://komenskypost.nl/?p=1650

10 nov

Wanneer is een app educatief?

In de diverse app-stores worden duizenden en duizenden apps aangeboden als ‘educatief’. De vraag is of degenen die deze apps ontwikkelen voldoende kennis van zaken hebben om deze dit label mee te geven. In een publicatie in Psychological Science in the Public Interest worden een aantal voorwaarden beschreven waaraan een app moet voldoen om educatieve waarde te hebben:

  1. Apps moeten ‘mind-on’ en niet ‘mind-off’ zijn
    Hoewel directe feedback door velen wordt gezien als een van de (educatieve) meerwaarden van tablets, mobieltjes en andere apparaten met ‘touchtechnologie’ in het onderwijs, is deze feedback naar aanleiding van een ‘swipe’, ‘tap’ of ‘shake’ niet genoeg om apps het label educatief mee te geven. Volgens de onderzoekers is er pas sprake van leren wanneer kinderen actief moeten werken aan problemen en hun mogelijke oplossingen (minds-on).
  2. Apps moeten zorgen voor betrokkenheid en niet voor afleiding
    Veel apps bevatten allerlei toeters en bellen die afleiden van de leertaak. Denk aan in-app games, allerlei geluiden in digitale prentenboeken, plaatjes die bewegen etc. Kinderen zijn hierdoor snel afgeleid en het heeft een negatieve invloed op het leren en concentreren op de leertaak. Het is daarom belangrijk om je steeds af te vragen of de extra’s in een app leerlingen hinderen of helpen bij de leertaak.
  3. Apps moeten betekenisvol zijn
    Dat apps zoveel mogelijk moeten aansluiten bij de leef- en belevingswereld van de kinderen is bekend. Maar daarnaast moet ook duidelijk zijn wat er geleerd wordt in de app, waarom dit belangrijk voor hen is en hoe het gebruikt kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld maar aan het verdelen van een taart in stukken om te leren delen.
  4. Sociale interactie via een app stimuleert het leren
    Uit een onderzoek waarin kinderen via ‘live’ interactie, digitale interactie (bv. Skype) of via een video de betekenis van een nieuw woord werd geleerd, bleek dat zij het beste leerden middels sociale interactie. Om deze reden moedigen nieuwe apps kinderen aan om samen met vrienden of hun ouders te spelen. Maar ook het idee van een sociale interactie met bijvoorbeeld Elmo of Mickey Mouse heeft de potentie tot meer betrokkenheid en een positieve invloed op leren.

Betekent bovenstaande dat als we maar rekening houden met deze vier voorwaarden een app altijd een positief effect op het leren heeft? Natuurlijk niet! Dat blijft een zaak van afstemmen op, inpassen in de leerlijn, leerdoelen voor ogen houden, onderzoeken of het gewenste leereffect bereikt is etc. Maar het is zeker de moeite waard om te overdenken alvorens een app aan te schaffen en in te zetten.

Lees ook: kies story-apps zonder interactie voor kinderen

17 mrt

Gelezen: Neurokwatsch

De OESO heeft vijftien hardnekkigste neuromythes aangewezen. In Nederland beschouwt ruim de helft van de docenten zeven van deze vijftien als waar.

Naar aanleiding van een publicatie van Howard-Jones in Nature Reviews Neuroscience bespreekt Paul Kirschner in zijn blog ‘Neurokwatsch‘ een aantal mythes over de hersenen, de zogenaamde ‘neuromythes’. Deze mythes volharden volgens de schrijver al een aantal decennia in scholen en hogere onderwijsinstellingen.

Wat zijn die mythes? Volgens Howard-Jones is misschien wel de meest voorkomende dat mensen het beste leren als zij onderwijs krijgen volgens hun leerstijl. Maar leerstijlen zijn neurowetenschappelijk gezien onzin: er zijn bergen bewijs tegen.

Howard-Jones beschrijft niet alleen wat er mis is met diverse overtuigingen, maar ook waarom ze voortleven: feiten zijn complex, verstopt in technische tijdschriften, worden niet begrepen of zijn nauwelijks toetsbaar. Daardoor is het voor velen die enthousiast zijn over de toepassing van neurowetenschap in de onderwijspraktijk moeilijk om wetenschap van pseudowetenschap te onderscheiden.

View More